“Papa, waarom is het zo warm?”

Terug
22.09.2026 Column
Robin Quax Programmamanager hernieuwbare elektriciteit bij TKI Urban Energy
“Papa, waarom is het zo warm?”

Klimaatgesprekken met een achtjarige. Afgelopen zomer fietste ik met mijn gezin langs de Nederlandse kust. Met kampeeruitrusting en al, in etappes van Cadzand tot Castricum. Het was schitterend; eindeloze rijen duinen, zwemmen in de zee, zeehonden spotten op de Zeeuwse zandbanken. Maar ook warm, best wel warm.

Mijn achtjarige zoontje is nieuwsgierig aangelegd en vraagt veel. En op zo’n fietsvakantie heb je alle tijd voor een gesprek. Op één van de dagen vroeg hij: “papa, waarom is het zo warm?”. Ik vertelde over het weer en het klimaat en na een aantal vervolgvragen waren we al snel bij klimaatverandering en CO2-uitstoot. “Ik zorg toch goed voor onze aarde, papa?” vroeg hij, doelend op de zwerfblikjes die hij regelmatig inlevert bij de supermarkt en de verdwaalde vlinders en kikkers die hij een handje helpt. Dat beaamde ik.

“Wordt het dan minder warm?” Stilte van mijn kant, gevolgd door een ontkennend antwoord. “Wat kunnen we dan wel doen, papa?” We spraken over zelf duurzame keuzes maken, zoals minder of geen vlees eten, reizen per fiets, trein of elektrische (deel)auto, thuis energie besparen en je huis aardgasvrij verwarmen, minder en tweedehands spullen. Dat leek hem allemaal wel haalbaar.

“Komt het dan goed?” Nou, niet echt. Vervuiling veroorzaken we met alle mensen samen, dus iedereen moet duurzaam doen om het probleem op te lossen. “Maar wat kan ik daar dan aan doen?” We bespraken welke volwassenen mijn zoontje allemaal kende die hij kon bevragen op hun duurzaamheid. Ik tipte hem om te beginnen bij de mensen die het meest voor hem over hebben. Dus opa’s, oma’s, ooms, tantes, vrienden en familie, bereid je maar alvast voor op de vragen van een achtjarige klimaatdrammer!

“En zorgen we dan goed voor de aarde?” Denkpauze van mijn kant. Nee, nog steeds niet. Dit vroeg meer uitleg. Over dat niet iedereen in de positie is om die duurzame keuzes te maken. Dat ons hele systeem moet veranderen, de manier waarop we spullen maken, hoe we energie opwekken, voedsel verbouwen, hoe we met grondstoffen omgaan. En dat overheid, bedrijven en burgers elkaar nodig hebben en moeten samenwerken om deze verandering te laten lukken.
Het hielp in het voorstellingsvermogen dat we tijdens onze fietstocht over de Tweede Maasvlakte waren gefietst, langs de reusachtige containerterminals, daarna langs de kassen van het Westland en een aantal dagen later langs het gigantische terrein van Tata Steel. En aan de zeezijde in de verte altijd de silhouetten van de windmolens op zee.

“En gaat dat dan goed, papa?” Ik vertelde dat er wel plannen en afspraken zijn en er ook best een aantal dingen wel goed gaan, maar dat het alles bij elkaar gewoon te langzaam gaat. En dat het daardoor steeds warmer wordt. Na nog een aantal vervolgvragen trekt mijn zoontje de conclusie dat het probleem niet in techniek zit en dat er in principe geld genoeg is in onze samenleving. Het verbaast hem dat we het gewoon niet belangrijk genoeg lijken te vinden. “Maar wat kan ik dán nog doen?”

We kunnen gaan demonstreren, stel ik voor. Dat lijkt hem een uitstekend idee. Dus daar gingen we, afgelopen 12 september, met de trein naar de klimaatmars in Amsterdam. Samen met meer dan 40.000 andere bezorgde Nederlanders. Hij maakt zelf een protestbord van karton: ‘stop met vervuilen, anders ga ik huilen’. Hij houdt het de hele mars omhoog, van de Dam tot het Museumplein, zodat zoveel mogelijk mensen het kunnen lezen. “Zouden ze naar ons luisteren, papa?” Ik hoop het.