CPB: zonnepanelen liggen vaker op een eengezinswoning buiten de stad
05.06.2026 Gijs de Koning

Zonnepanelen op een eengezinswoning komen buiten steden vaker voor dan in stedelijke gebieden. Dat blijkt uit een nieuwe studie van het Centraal Planbureau naar de verdeling van zonnepanelen over Nederlandse huishoudens. Ook inkomenspositie, vermogen en woningbezit spelen een duidelijke rol: hogere inkomens en woningeigenaren hebben vaker zonnepanelen, terwijl private huurders achterblijven.
Volgens het CPB beschikte in 2024 ongeveer een op de drie Nederlandse huishoudens over zonnepanelen. Het aantal huishoudens met zonnepanelen is vooral sinds 2020 snel gegroeid. De onderzoekers benadrukken wel dat hun studie loopt tot en met eind 2024. Het effect van de aankondiging van het einde van de salderingsregeling is daardoor nog niet zichtbaar in de cijfers.
Stad blijft achter
Voor de geografische vergelijking kijkt het CPB specifiek naar eengezinswoningen. Daarmee corrigeren de onderzoekers deels voor het grotere aandeel appartementen in steden, waar vaak geen eigen dak beschikbaar is. Ook binnen die afbakening blijft de adoptie van zonnepanelen in steden lager dan daarbuiten.
Volgens het rapport loopt niet alleen het aandeel zonnepanelen op eengezinswoningen achter in stedelijke gebieden, maar ook de groei. Onder meer Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Maastricht en Leeuwarden blijven achter bij omliggende gemeenten.
Het CPB wijst op meerdere mogelijke verklaringen. In steden wonen relatief veel huishoudens met lagere inkomens, er is meer private huur en vrijstaande woningen komen er minder vaak voor. Juist vrijstaande woningen hebben relatief vaak zonnepanelen. In absolute aantallen liggen zonnepanelen het vaakst op tussenwoningen, maar naar verhouding blijft dat woningtype achter bij vrijstaande woningen.
Hogere inkomens profiteren vaker
De onderzoekers zien een duidelijke concentratie van zonnepanelen bij huishoudens met hogere inkomens en vermogens. Meer dan de helft van alle huishoudens met zonnepanelen behoort tot de 40 procent hoogste inkomens- en vermogensgroepen. Ongeveer 20 procent valt juist in de 40 procent laagste inkomens- en vermogensgroepen.
Die verhouding is volgens het CPB opvallend stabiel gebleven tussen 2020 en 2024. Er is dus geen duidelijke inhaalslag zichtbaar bij lagere inkomens, maar hun achterstand loopt ook niet verder op. Daarmee blijft de toegang tot de financiële voordelen van zonnepanelen ongelijk verdeeld.
Woningcorporaties temperen verschil
Woningcorporaties spelen volgens het CPB een belangrijke rol bij zonnepanelen voor lagere inkomensgroepen. Bij eigenaar-bewoners ligt de adoptiegraad rond 48 procent, bij woningcorporaties rond 24 procent en bij private huurders rond 12 procent.
Vooral de private huursector blijft achter. Bewoners van huurwoningen kunnen zonnepanelen meestal niet zelf installeren en zijn afhankelijk van hun verhuurder. Het CPB stelt dat de private huursector ook achterblijft wanneer alleen naar eengezinswoningen wordt gekeken. Mogelijk kunnen prestatieafspraken, zoals die bij woningcorporaties worden gebruikt, richting geven aan beleid voor private verhuurders.
Zonnepanelen gaan vaak samen met elektrificatie
Voor de solarsector is ook de koppeling met andere technieken relevant. Huishoudens met zonnepanelen gebruiken gemiddeld meer elektriciteit dan huishoudens zonder zonnepanelen. Dat komt volgens het CPB vooral doordat zij vaker een warmtepomp of elektrische auto hebben. Ook zonnepanelenbezitters zonder warmtepomp of elektrische auto hebben gemiddeld een hoger totaalverbruik, mogelijk doordat zij grotere woningen of grotere huishoudens hebben.
De stap naar een breder geëlektrificeerd huishouden blijft echter beperkt. Ongeveer 7 procent van alle huishoudens en 19 procent van de zonnepanelenbezitters heeft naast zonnepanelen ook een warmtepomp en/of elektrische auto. Die combinatie is nog sterker geconcentreerd bij hogere inkomens dan zonnepanelen alleen.





























