Nieuwe RVO-subsidie moet energiehubs versnellen maar lost de belangrijkste drempel niet op

Terug
30.10.2026 Hoofdartikel
Nieuwe RVO-subsidie moet energiehubs versnellen maar lost de belangrijkste drempel niet op

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft vanaf 1 oktober 2026 een nieuwe subsidieregeling voor energiehubs opengesteld. Ondernemers kunnen subsidie krijgen voor onderzoek naar de vorming van een nieuwe energiehub of de uitbreiding van een bestaande hub. Volgens Jaap Leeflang, adviseur industriële energietransitie bij Alius, kan de regeling helpen om projecten sneller van de grond te krijgen, maar zit de grootste uitdaging ergens anders: ondernemers daadwerkelijk laten samenwerken.

De nieuwe regeling Onderzoek Energiehubs (EHUB) moet bedrijven helpen om gezamenlijk meer uit hun beschikbare energiecapaciteit te halen. Het kabinet heeft voor de eerste openstelling 9,6 miljoen euro beschikbaar gesteld. Aanvragen kunnen tot 1 mei 2027 worden ingediend. De aanvragen worden in principe op volgorde van binnenkomst behandeld; als het budget ontoereikend blijkt, wordt geloot.

De subsidie komt op een moment waarop energiehubs steeds nadrukkelijker worden gezien als een manier om met netcongestie om te gaan. Door de vraag naar en het aanbod van elektriciteit van meerdere bedrijven op elkaar af te stemmen, kunnen ondernemers hun beschikbare netcapaciteit beter benutten. Opwek, opslag, verbruik en flexibiliteit kunnen daarbij gezamenlijk worden aangestuurd.

Voor Leeflang is de nieuwe regeling vooral een extra instrument. Hij is momenteel betrokken bij ongeveer zeven tot acht energiehubprojecten in Brabant. Daar ziet hij dat de ontwikkeling van een hub vaak al begint voordat er sprake is van een formele subsidieaanvraag.

“Wat je nu veel ziet, is dat de eerste fase, het scannen en onderzoeken, vaak door gemeenten wordt gefinancierd. Een gemeente zegt dan: waar willen ondernemers naartoe? Hier is bijvoorbeeld 40.000 euro om de eerste haalbaarheidsfase te onderzoeken.”

Eerst een groep vormen

Die eerste fase draait volgens Leeflang naast technische of financiële analyses vooral uit het bij elkaar brengen van ondernemers. “Het meeste werk zit niet eens in de analyse. Het gaat vooral om mensen informeren, ondernemers bij elkaar brengen en ervoor zorgen dat er een groep ontstaat met dezelfde belangen.”

Dat is een belangrijk onderscheid binnen de nieuwe RVO-regeling. De EHUB-subsidie is gericht op onderzoek, terwijl juist het organiseren van de samenwerking in de beginfase een cruciale rol speelt. RVO sluit kosten voor procesbegeleiding bij de uitvoering van een scan of studie expliciet uit. Voor het bij elkaar brengen van ondernemingen en het organiseren van de samenwerking verwijst de dienst naar andere ondersteuning binnen het Stimuleringsprogramma Energiehubs.

“Je hoeft niet meteen op dag één een formele coöperatie te hebben, maar je moet wel een groep hebben gevormd. Mensen moeten het gevoel hebben: wij gaan samen onze problemen oplossen.” Pas daarna verschuift het zwaartepunt naar de technische analyse, de afspraken over energie en de gesprekken met de netbeheerder.

Subsidie voor scan en studie

De EHUB-regeling maakt onderscheid tussen een scan en een uitgebreidere studie. Een scan is bedoeld voor het verkennen van de mogelijkheden van een nieuwe energiehub. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het huidige en toekomstige elektriciteitsgebruik van de deelnemende ondernemingen en worden minimaal drie mogelijke maatregelenpakketten onderzocht.

De vergoeding voor zo'n scan bedraagt maximaal 5.000 euro bij maximaal vijf deelnemende ondernemingen en maximaal 8.500 euro bij zes of meer ondernemingen. Daarbij moeten de kosten eerst worden gemaakt voordat de subsidie voor de scan wordt aangevraagd.

Voor een uitgebreidere studie liggen de subsidiebedragen hoger. Bij de vorming van een nieuwe energiehub wordt maximaal 70 procent van de kosten vergoed, met een maximum van 42.000 euro. Voor de uitbreiding van een bestaande energiehub gaat het om maximaal 40 procent, met een maximum van 32.000 euro.

Voor Leeflang is de subsidie daarmee vooral een middel om een bestaande interesse om te zetten in een concreter project. “Het verlaagt vooral de drempel om sneller door te gaan.”

Niet de subsidie, maar de spelregels zijn doorslaggevend

Toch verwacht Leeflang niet dat de EHUB-regeling op zichzelf voor een grote versnelling zorgt. Daarvoor zijn de financiële bedragen volgens hem te beperkt in verhouding tot de totale kosten van een energiehub.

“Ik denk niet dat subsidie noodzakelijk is om energiehubs te maken. Ik denk dat je veel meer versnelling krijgt als je wet- en regelgeving aanpast en als er betere afspraken met netbeheerders komen.”

Een volledig traject richting een energiehub en een groepstransportovereenkomst kan volgens hem al snel tienduizenden tot honderdduizenden euro's kosten, afhankelijk van de omvang en complexiteit van het project.

“Als je met zes of meer ondernemers een project van bijvoorbeeld honderdduizenden euro's wilt opzetten, dan is een relatief kleine subsidie niet doorslaggevend.”

Volgens Leeflang ligt de grootste kans naast het verlagen van de kosten voor advies en onderzoek, vooral in het creëren van een financiële prikkel voor ondernemers om daadwerkelijk mee te doen.

Ondernemer moet worden beloond voor flexibiliteit

Maar volgens Leeflang blijft de vraag onvoldoende beantwoord waarom een individuele ondernemer het risico en de moeite zou nemen om als eerste aan zo'n systeem mee te doen.

“Je moet de incentives in de markt zo neerzetten dat het voor ondernemers nog interessanter wordt om aan een hub mee te doen. Ondernemers die flexibiliteit beschikbaar stellen, helpen immers ook om het elektriciteitsnet efficiënter te gebruiken. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: je doet mee aan een hub en helpt ons om pieken op het net te verlagen. Daar staat een vaste vergoeding tegenover. Het loont nu al om aan te haken maar het mag meer actief beloond worden.”

Een GTO is niet nodig voor de subsidie

Opvallend aan de nieuwe regeling is dat een groepstransportovereenkomst (GTO) geen voorwaarde is om subsidie te kunnen aanvragen. Dat past volgens Leeflang bij het doel van de regeling: de subsidie is bedoeld voor de fase voordat alle afspraken over de uiteindelijke energiehub zijn gemaakt.

Een GTO is volgens Leeflang een veel zwaarder traject. De groep moet dan technisch kunnen aantonen dat samenwerking mogelijk is, maar ook afspraken maken over verantwoordelijkheden, risico's en het gebruik van transportcapaciteit. In een GTO kunnen meerdere grootverbruikers gezamenlijk een hoeveelheid transportcapaciteit krijgen en onderling afspraken maken over het gebruik daarvan. RVO beschrijft de GTO als een belangrijke contractvorm voor energiehubs, waarbij ook vraagstukken rond aansprakelijkheid een rol spelen.

Netbeheerder is onderdeel van de oplossing

Volgens Leeflang is er de afgelopen jaren veel veranderd. De ontwikkeling van energiehubs is in korte tijd verschoven van een relatief experimenteel concept naar een serieus onderdeel van de aanpak van netcongestie.

Tegelijkertijd lopen ondernemers en netbeheerders tegen regels en procedures aan die niet altijd zijn ontworpen voor een energiesysteem waarin meerdere bedrijven gezamenlijk flexibiliteit organiseren.

“Het is goed dat een netbeheerder niet zomaar alles doorvoert. De veiligheid van het net is heel belangrijk. Daar moeten we zorgvuldig mee omgaan. Maar regels moeten wel realistisch zijn en niet gebaseerd zijn op oude uitgangspunten die inmiddels niet meer goed aansluiten bij de praktijk.”

Dat betekent volgens Leeflang dat regels moeten worden aangepast zodra nieuwe technische en organisatorische mogelijkheden voldoende zijn ontwikkeld.

Van netcongestie naar ondernemingsstrategie

Voor ondernemers is een energiehub uiteindelijk meer dan een oplossing voor een technisch probleem op het elektriciteitsnet. Het kan ook onderdeel worden van de langetermijnstrategie van een bedrijf.

Leeflang wijst daarom op het belang van de waarde van extra vermogen. “Het is eigenlijk heel simpel: kun je groeien of niet, en hoeveel is die groei waard?” Hij geeft als voorbeeld een ondernemer die een machine van een miljoen euro heeft gekocht, maar die machine vanwege een tekort aan beschikbaar vermogen niet volledig kan benutten.

“Als je daardoor ieder jaar 500.000 euro misloopt, is het heel eenvoudig om te bepalen wat een investering in een energiehub waard is. Op korte termijn kost het geld. Maar op lange termijn kun je in veel gevallen een terugverdientijd van vijf tot zes jaar hebben.”

De businesscase wordt daarmee niet uitsluitend bepaald door de opbrengst van zonnepanelen, de prijs van een batterij of een lagere energierekening. Ook de waarde van beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheid om te blijven groeien telt mee.

De subsidie als startpunt, niet als einddoel

Maar het onderzoek is niet het eindpunt. Na de analyse moeten ondernemers besluiten nemen over investeringen, energiecontracten, opslag, flexibiliteit, besturing en onderlinge verantwoordelijkheden. Uiteindelijk moet er een samenwerkingsvorm ontstaan die ook buiten de subsidieperiode blijft functioneren.

Daarom ziet Leeflang de regeling vooral als een nuttige aanvulling, maar niet als de belangrijkste versneller. “Het zal altijd wel ergens effect hebben. Maar ik denk dat je met andere acties meer effect kunt bereiken.”

Volgens hem moet de aandacht daarom verschuiven naar de vraag wat ondernemers daadwerkelijk over de streep trekt. “Het geld vloeit nu vooral naar de partijen die de analyses maken. Het gaat niet rechtstreeks naar de ondernemers. Je zou dat geld ook kunnen gebruiken om ondernemers die daadwerkelijk deelnemen aan een hub te belonen.”

Samenwerken wordt onderdeel van het energiesysteem

Voor ondernemers die overwegen om met een energiehub te beginnen, heeft Leeflang uiteindelijk een relatief eenvoudig advies. “Ga samenwerken. Als je met een paar ondernemers samen je energie kunt managen, regelen en inkopen, ben je op lange termijn weerbaarder tegen invloeden van buitenaf.”