PBL: kans op halen klimaatdoel kleiner dan 5 procent, meer zon en wind maken Nederland wel minder afhankelijk van energie-import
Terug
Nederland gaat het klimaatdoel voor 2030 vrijwel zeker niet halen. Volgens de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2026 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is de kans op 55 procent minder broeikasgasuitstoot dan in 1990 kleiner dan 5 procent. Tegelijkertijd laat de raming zien dat de groei van zonne- en windenergie Nederland minder afhankelijk maakt van geïmporteerde energie. Die ontwikkeling loopt echter steeds nadrukkelijker tegen de grenzen van het elektriciteitssysteem aan.
Met het vastgestelde en voorgenomen beleid daalt de Nederlandse broeikasgasuitstoot in 2030 volgens het PBL met 46 tot 53 procent ten opzichte van 1990. Wanneer ook het aanvullende beleid wordt meegenomen dat concreet genoeg is om door te rekenen, komt de reductie uit op 47 tot 54 procent. In beide gevallen blijft de kans om het doel van 55 procent reductie te halen kleiner dan 5 procent.
Daarmee stagneert de geraamde emissiereductie voor 2030 al meerdere jaren. Volgens het PBL speelt mee dat steeds minder tijd resteert om nieuwe investeringen nog voor het einde van dit decennium effect te laten hebben. Grote energieprojecten kennen lange doorlooptijden en ook de benodigde infrastructuur kan niet snel genoeg worden uitgebreid.
Voor de elektriciteitssector komt de uitstoot in 2030 in het basispad uit op 16,7 megaton CO2-equivalenten, met een bandbreedte van 12,8 tot 21,9 megaton. Het sectordoel bedraagt 13 megaton. De kans dat dit doel wordt gehaald is volgens het PBL ongeveer 5 procent.
Zon en wind maken Nederland minder afhankelijk van import
Tegenover het slechte nieuws over de klimaatdoelen staat dat de uitbreiding van hernieuwbare elektriciteit Nederland wel minder afhankelijk maakt van energie uit het buitenland.
In 2025 was Nederland voor 77 procent van het energieverbruik afhankelijk van import. In 2030 daalt dat volgens het basispad naar gemiddeld 67 procent, met een bandbreedte van 65 tot 70 procent. Het PBL schrijft dat die daling voor een belangrijk deel samenhangt met de toegenomen binnenlandse productie van elektriciteit uit zonne- en windenergie.
Na 2030 wordt vooral windenergie op zee belangrijk. In het basispad daalt de energie-importafhankelijkheid in 2040 verder naar 49 tot 63 procent. Met aanvullend beleid komt deze uit op 45 tot 60 procent. Die extra daling is volgens het PBL vooral het gevolg van meer elektriciteitsproductie uit windenergie op zee.
Daar zit tegelijkertijd een ogenschijnlijke tegenstelling in. Hoewel Nederland minder afhankelijk wordt van de import van energie als geheel, verandert het land rond 2030 in het basispad juist van netto-exporteur naar netto-importeur van elektriciteit. De stroomvraag groeit namelijk sneller dan de binnenlandse productie.
De groei van hernieuwbare opwek is dus niet voldoende om de snel toenemende elektrificatie volledig bij te houden.
Zonnevermogen groeit, maar benutting wordt moeilijker
Het Nederlandse zonnevermogen groeit volgens het PBL voorlopig wel verder. Van 25,9 gigawatt in 2025 neemt het opgestelde vermogen toe tot 32,4 gigawatt in 2030. De groei vindt vooral plaats bij grootschalige installaties op bedrijfsdaken en op land. Bij huishoudens verwacht het PBL juist stagnatie door het verdwijnen van de salderingsregeling vanaf 2027 en de terugleverkosten van energieleveranciers.
Na 2030 groeit het zonnevermogen in het basispad verder naar ongeveer 45,7 gigawatt in 2040. Met aanvullend beleid kan dat ongeveer 53 gigawatt worden.
Maar meer zonnepanelen plaatsen wordt niet automatisch gelijk aan evenredig meer bruikbare zonnestroom. Volgens het PBL wordt de groei van grootschalige zonne-energie beperkt door netcongestie. Daarnaast wordt de gelijktijdigheid van zonneproductie een steeds groter economisch probleem. Op zonnige momenten produceren veel installaties tegelijkertijd, waardoor elektriciteitsprijzen laag of zelfs negatief kunnen worden. Niet langer de kostprijs van zonnepanelen, die nog steeds daalt, maar de waarde van de opgewekte stroom wordt daarmee een belangrijk knelpunt.
Batterijopslag kan een groter deel van de productie naar andere uren verschuiven, maar de kostenontwikkeling van opslag bepaalt volgens het PBL mede hoe snel dat gebeurt.
Elektriciteitsnet kan tempo transitie niet bijhouden
De ontwikkeling raakt direct aan een van de belangrijkste waarschuwingen uit de KEV: de vraag naar transportcapaciteit groeit momenteel sneller dan het elektriciteitsnet wordt uitgebreid.
Netbeheerders investeren volgens het PBL fors, maar kunnen niet alle geplande projecten uitvoeren. Een gebrek aan technisch personeel, lange vergunningprocedures en schaarste aan materialen en ruimte vertragen de uitbreiding. Daardoor blijft netcongestie de komende jaren een knelpunt voor de energietransitie.
Voor de elektriciteitssector betekent dat onder andere dat de groei van zonne- en windenergie wordt geremd. Ook batterijprojecten kunnen hinder ondervinden van de wachtrijen voor een netaansluiting, al kunnen batterijen die gebruikmaken van bestaande aansluitingen juist helpen om de beschikbare capaciteit beter te benutten.
Het PBL rekent netcongestie overigens niet rechtstreeks op ieder moment en iedere locatie door. De KEV werkt met jaargemiddelde vraag en productie, terwijl congestie juist sterk afhankelijk is van het tijdstip, de locatie en het netvlak. De gevolgen worden daarom verwerkt in onzekerheidsbandbreedtes voor onder meer zonne-energie, windenergie en batterijvermogen.
Nieuwe SDE++ komt voor 2030 grotendeels te laat
Ook de manier waarop de SDE++ in de KEV is meegenomen is belangrijk voor de uitkomsten. In het basispad rekent het PBL vanaf 2027 met geen nieuwe SDE++-openstellingsrondes. De beschikbare kasmiddelen waren onder het kabinet-Schoof verlaagd van 3,3 naar 2,3 miljard euro per jaar. De openstellingen van 2025 en 2026 konden nog plaatsvinden door middelen uit latere jaren naar voren te halen.
Het kabinet-Jetten kondigde vervolgens zes nieuwe rondes aan. Deze zijn als aanvullend beleid meegenomen in de KEV. Hun effect op 2030 blijft echter klein: veel projecten die subsidie ontvangen hebben meerdere jaren nodig voordat ze daadwerkelijk worden gerealiseerd. Het PBL noemt voor een zonnepark een periode van al snel vijf jaar tussen subsidiebeschikking en realisatie.
Voor de zonne- en windsector verandert bovendien het ondersteuningsinstrument. Grootschalige zonne- en windenergie mogen na 2026 door Europese regelgeving niet langer via de SDE++ worden ondersteund. Vanaf 2027 worden deze technieken in de raming ondersteund met tweerichtingscontracten, oftewel Contracts for Difference.
De nieuwe SDE++-rondes spelen daarmee nog wel een belangrijke rol in de bredere emissiereductie, maar zijn niet rechtstreeks verantwoordelijk voor de geraamde extra groei van grootschalige zonne-energie.


























