Zonne-energie trekt REPowerEU, maar EU weet nauwelijks hoeveel vermogen plan oplevert

Terug
14.09.2026 Nieuws
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
Zonne-energie trekt REPowerEU, maar EU weet nauwelijks hoeveel vermogen plan oplevert

Zonne-energie blijkt binnen het Europese REPowerEU-plan aanzienlijk sneller van de grond te komen dan windenergie. Juist daardoor zijn Europese steunmaatregelen steeds meer richting zon geschoven. Tegelijkertijd kan de Europese Commissie nauwelijks aantonen hoeveel extra hernieuwbare productiecapaciteit de miljardeninvesteringen daadwerkelijk opleveren, concludeert de Europese Rekenkamer.

REPowerEU werd in 2022 opgetuigd om Europa versneld onafhankelijk te maken van Russische fossiele energie en tegelijkertijd de energietransitie te versnellen. Een van de doelen was om als gevolg van het plan in 2030 103 gigawatt extra hernieuwbaar vermogen te realiseren: 62 gigawatt zonne-energie en 41 gigawatt windenergie.

Vier jaar later blijkt vooral de meetbaarheid van die ambitie een probleem. De Europese Commissie verwacht dat de maatregelen die via de Europese herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) worden gefinancierd minimaal 20 gigawatt extra hernieuwbare capaciteit zullen opleveren. Dat is minder dan een vijfde van de 103 gigawatt die voor REPowerEU als geheel werd geraamd. De Rekenkamer stelt bovendien dat zij de betrouwbaarheid van die inschatting van 20 gigawatt niet kon bevestigen.

Van de 45 maatregelen voor hernieuwbare energie in de nationale REPowerEU-hoofdstukken hadden er namelijk slechts twaalf een concreet en meetbaar doel voor de hoeveelheid nieuw zonne- of windvermogen. Bij elkaar gaat het om ongeveer 1,6 gigawatt. Bij de overige 33 maatregelen zijn doelstellingen bijvoorbeeld gekoppeld aan hoeveel geld is uitgegeven of hoeveel contracten zijn afgesloten, maar niet aan hoeveel megawatt uiteindelijk wordt gerealiseerd.

Zon past beter binnen korte Europese deadline

Opvallend is dat juist zonne-energie sterk vertegenwoordigd is in de projecten die wél worden uitgevoerd. Volgens de Rekenkamer is dat geen toeval. Zonneprojecten zijn relatief snel te realiseren en passen daardoor beter binnen de beperkte looptijd van de RRF. Windprojecten hebben langere ontwikkel- en vergunningstrajecten en zijn daardoor ondervertegenwoordigd.

Roemenië vormt daarvan een duidelijk voorbeeld. Een steunmaatregel stond zowel zonne- als windprojecten toe, maar 90 procent van het gerealiseerde of in uitvoering zijnde vermogen bestond uit zonne-energie. Van de windprojecten was in juni 2025 nog geen enkel project afgerond. Drie van de vier resterende projecten liepen volgens de Rekenkamer een hoog risico niet op tijd gereed te komen en een gepland windpark van 140 megawatt was al geschrapt.

Dat maakt zonne-energie praktisch gezien een van de snelste middelen waarmee lidstaten de energietransitie binnen de looptijd van Europese steunprogramma's kunnen versnellen. Maar alleen extra vermogen plaatsen is volgens de Rekenkamer niet voldoende.

Tussen 2015 en 2023 groeide het geïnstalleerde hernieuwbare vermogen in Europa met 71 procent, terwijl de daadwerkelijke productie met 42 procent toenam. Onder meer netbeperkingen, het weersafhankelijke karakter van zon en wind en verschillen in capaciteitsfactoren verklaren die kloof. Volgens de Rekenkamer laat dat zien dat uitbreiding van de opwek hand in hand moet gaan met voldoende netinfrastructuur.

Nederland koppelt plannen relatief goed

Nederland vormt op één onderdeel een positieve uitzondering. Van de 27 lidstaten hebben volgens de Rekenkamer alleen Nederland, Hongarije en Portugal in hun nationale energie- en klimaatplan duidelijke koppelingen gelegd met alle maatregelen uit hun REPowerEU-hoofdstuk.

Voor het Nederlandse REPowerEU-hoofdstuk werd in oktober 2025 ongeveer 793 miljoen euro aan kosten geraamd.

Voor toekomstige Europese financieringsprogramma's adviseert de Rekenkamer daarom om niet alleen vast te leggen hoeveel geld beschikbaar is of hoeveel contracten worden gesloten, maar expliciete doelen te stellen voor de daadwerkelijke schone productie- en netcapaciteit die daarmee wordt gerealiseerd.