ACM geeft bestaande stroomprojecten 20 jaar uitstel voor invoedingstarief
Terug
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) wil bij de invoering van het invoedingstarief een overgangstermijn van 20 jaar toepassen voor bestaande situaties. Daarmee sluit de toezichthouder aan bij Duitsland, waar ook een overgangsregeling wordt voorbereid. Het invoedingstarief is op dit moment voorzien vanaf 1 januari 2032.
Met het invoedingstarief moeten grote producenten van elektriciteit gaan meebetalen aan de kosten van het elektriciteitsnet. Nu worden die kosten volgens de ACM alleen door afnemers betaald. Het tarief moet onder meer gelden voor grote invoeders, zoals zonneparken, windparken en elektriciteitscentrales.
Overgang vanaf ingebruikname
De overgangstermijn van 20 jaar begint te lopen vanaf het moment dat een investering in gebruik is genomen of wordt genomen. Projecten waarvoor vóór de ingangsdatum van het invoedingstarief een definitieve investeringsbeslissing is genomen, komen volgens de ACM in aanmerking voor het overgangsrecht. Een project waarvoor in 2026 een definitieve investeringsbeslissing is genomen en dat in 2031 in gebruik wordt genomen, hoeft daardoor tot 2051 geen invoedingstarief te betalen.
De ACM werkt de regeling nog verder uit in een ontwerp-codebesluit. De toezichthouder zegt het gelijke speelveld met Duitsland te willen bewaken, omdat Duitsland de belangrijkste handelspartner is voor de Nederlandse elektriciteitsmarkt.
Eerdere plannen
Het plan voor een invoedingstarief loopt als sinds 2024. De toezichthouder stelde toen dat grote producenten die elektriciteit invoeden, waaronder zonneparken, windparken, opslagpartijen en elektriciteitscentrales, eerlijker moeten bijdragen aan de stijgende kosten voor uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet. Marktpartijen wezen in die fase al op zorgen over het verdienmodel van duurzame energieproducenten.
In november 2025 volgde een consultatie over de vormgeving van het invoedingstarief. Daarin vroeg de ACM marktpartijen en experts om input over de manier waarop het tarief zou moeten worden ingericht. Op 30 april 2026 maakte de toezichthouder vervolgens bekend te kiezen voor een geleidelijke introductie, op zijn vroegst vanaf 1 januari 2032. Daarbij noemde de ACM zonneparken expliciet als voorbeeld van grote invoeders waarvoor het tarief relevant kan worden.
Voor zonneparken is vooral de businesscase van belang. Een invoedingstarief kan de exploitatiekosten verhogen, terwijl projecten vaak al jaren vóór ingebruikname worden ontwikkeld en gefinancierd. De overgangstermijn van 20 jaar moet bestaande en vergevorderde projecten daarom meer zekerheid geven. Tegelijk blijft voor nieuwe projecten onduidelijk hoe hoog het tarief uiteindelijk wordt en hoe sterk ontwikkelaars daarop kunnen sturen met opslag, curtailment of andere vormen van flexibel netgebruik.
Eerder kwam er vanuit bracnheorganisaties al een geluid dat het invoedingstarief de uitrol van duurzame energieprojecten kan belemmeren.



























