Invoedingstarief is belemmering voor duurzame energieprojecten
17.02.2026 Evelien Schreurs

In antwoorden op Kamervragen benoemt Sophie Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, dat een invoedingstarief de verdere uitrol van duurzame energieprojecten kan belemmeren. Brancheverenigingen Holland Solar en Ned Zero zijn blij dat Hermans dit erkent, want ook zij verwachten dat een invoedingstarief zal zorgen tot hogere kosten bij eindgebruikers.
Vorig jaar opende de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een consultatie over hun voorstel voor het invoeren van een invoedingstarief voor producenten van duurzame energie. De ACM wilde deze invoeren, zodat kosten van het elektriciteitsnet niet alleen door afnemers maar ook door elektriciteitsproducenten worden betaald.
“De ACM vindt het belangrijk dat grote producenten van elektriciteit die stroom invoeden in het elektriciteitsnet gestimuleerd worden om het net efficiënt te gebruiken en op een eerlijke manier bijdragen aan de stijgende kosten voor het verzwaren en uitbreiden van het elektriciteitsnet door het invoeren van een invoedingstarief”, aldus de ACM.
Slecht voor de businesscase
Brancheverenigingen Holland Solar, NedZero, Energie-Nederland en Energie Samen vroegen de ACM om af te zien van dit voorstel voor een invoedingstarief. Het zou de rendabiliteit van zowel bestaande als nieuwe zonneparken drukken. Onderzoek van Aurora Energy Research laat zien dat het invoedingstarief gecompenseerd zou moeten worden met extra subsidies, bovenop de subsidies die al nodig zijn voor de uitbreiding van hernieuwbare energieopwek.
Naast de brancheverenigingen reageerden ook marktpartijen op het voorstel van de ACM en wezen daarbij op de mogelijke negatieve impact op de businesscase van hernieuwbare energieprojecten.
“Als dit niet gebeurt, zal de businesscase voor duurzame energieprojecten niet rond te rekenen zijn en moet er over worden gegaan op het importeren van dure energie uit het buitenland”, schrijft Holland Solar. “Die kosten komen rechtstreeks terecht op de energierekening van huishoudens en bedrijven.”
Reactie minister Hermans
De brancheverenigingen geven dan ook aan blij te zijn dat minister Hermans erkent dat een invoedingstarief de businesscase van hernieuwbare energieprojecten kan verslechteren.
“Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit”, stelt Hermans in een schriftelijke beantwoording van Kamervragen. Bovendien hangt de precieze impact af van hoe het tarief er precies uit ziet en wanneer het wordt ingevoerd.
Voor projecten die al toezegging voor subsidie (SDE++) hebben, maar nog niet gerealiseerd zijn, kan een invoedingstarief betekenen dat het project de businesscase toch niet meer rond krijgt. “De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief” schrijft Hermans. Hetzelfde zou gelden voor de toekomstige Contracts for Difference.
Kosten doorberekenen
Ook Hermans ziet dat de kosten van een invoedingstarief uiteindelijk (deels) betaald zal moeten worden door de overheid. Als de energiekosten stijgen door een invoedingstarief, zullen producenten dat door willen rekenen naar hun afnemers. Dit zal echter maar gedeeltelijk kunnen, verwacht Hermans. “Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte.”
“Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.”
Vanuit de SDE++ kan er geen compensatie gegeven worden voor invoedingstarieven. Voor bestaande projecten is daar geen budget of juridische grondslag voor. In toekomstige projecten zou er eventueel rekening gehouden kunnen worden met hogere kosten door een invoedingstarief, maar dat zou wel een hogere subsidie-intensiteit betekenen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit.
In de antwoorden wijst Hermans ook op de voordelen van een invoedingstarief: “Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen.”
De ACM wil in 2026 een besluit nemen over het invoeren van een invoedingstarief, hierbij zullen zij onder andere de consultatiereacties meenemen.























