Nieuwe EPBD-regels per 29 mei: dit verandert er voor de gebouwde omgeving

21.05.2026 Lenna van den Haak

Nieuwe EPBD-regels per 29 mei: dit verandert er voor de gebouwde omgeving

Op 29 mei 2026 zet Nederland een volgende stap in de implementatie van de herziene Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (EPBD IV). Het eerste deel (tranche) aan regelgeving treedt dan in werking en raakt een breed spectrum: van zonnepanelen en laadinfra tot energielabels en gebouwdata. De invoering gebeurt gefaseerd, zodat marktpartijen, overheden en gebouweigenaren tijd hebben om zich aan te passen. Tegelijkertijd wordt de regelgeving verankerd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Omgevingsregeling (Or). Wat verandert er concreet ten opzichte van de huidige situatie?

- Aangepaste bepalingsmethode energieprestatie
De methode om de energieprestatie van gebouwen te berekenen wordt op meerdere punten aangescherpt. Nieuw is dat opslag van energie en systemen voor gebouwautomatisering expliciet worden meegewogen. Daarnaast levert de methode meer detailinformatie op voor het energielabel, zoals het finale energiegebruik en de CO₂-uitstoot. Waar de huidige methodiek vooral gericht is op een gestandaardiseerde berekening, verschuift de focus richting een realistischer beeld van het daadwerkelijke energiegebruik. Dit sluit beter aan bij de praktijk en bij toekomstige eisen richting 2030, wanneer verdere modernisering volgt. Op onderstaande punten wordt nieuwe regelgeving wordt toegespitst.

- Zonne-energie op gebouwen
Gebouweigenaren moeten, als dat kan, zonne-energie opwekken voor het energiegebruik van het gebouw. Voor nieuwbouw en bij grote renovaties sluiten deze eisen aan op de bestaande regels voor energie neutrale gebouwen en hernieuwbare energie. Voor overheidsgebouwen gaan vanaf 2028 al nieuwe eis gelden.

- Strengere eisen voor technische bouwsystemen (utiliteit en woningen)
De eisen voor technische installaties in gebouwen worden fors uitgebreid. Waar nu vooral minimale prestatie-eisen gelden, verschuift de nadruk naar slimme, toekomstbestendige systemen. Voor utiliteitsgebouwen betekent dit dat gebouwautomatisering een grotere rol krijgt. Systemen moeten niet alleen energie-efficiënt zijn, maar ook actief kunnen monitoren, analyseren en optimaliseren. Denk aan installaties die afwijkingen signaleren, onderhoud voorspellen en energieverbruik continu bijsturen. In woningen komt de nadruk te liggen op ‘slimme gereedheid’. Nieuwe installaties moeten inzicht geven in het energiegebruik en voorbereid zijn op slimme aansturing. Dat betekent dat ze in de toekomst kunnen reageren op signalen van het elektriciteitsnet, zoals prijsprikkels of capaciteitsproblemen. Daarmee wordt de gebouwde omgeving nadrukkelijker onderdeel van het energiesysteem

- Meer laadpunten en fietsvoorzieningen
Gebouweigenaren moeten bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties meer ruimte maken voor laadpunten en fietsparkeerplaatsen.

- Landelijke voorziening voor gebouwdata
Er komt een landelijke voorziening met gebouwgegevens, inclusief informatie over de energieprestatie van gebouwen.

- Nieuw energielabel met meer detail
Het energielabel krijgt een grondige update. Niet alleen het ontwerp verandert, ook de inhoud wordt uitgebreid. Nieuwe labels bevatten straks meer informatie over het daadwerkelijke energiegebruik, de CO₂-uitstoot en de energetische kwaliteit van verschillende onderdelen van het gebouw. Deze wijzigingen gelden alleen voor nieuwe registraties vanaf 29 mei 2026. Bestaande labels blijven geldig tot hun vervaldatum, wat betekent dat er tijdelijk meerdere labelvarianten naast elkaar zullen bestaan.

- Monumenten
Een belangrijke uitbreiding is dat ook monumenten voortaan een energielabel moeten hebben. Dat is nu vaak nog niet het geval. Tegelijkertijd blijft maatwerk mogelijk: bepaalde verplichtingen, zoals de label C-eis voor kantoren, gelden niet voor monumentale panden. De verandering betekent dat het energielabel zich ontwikkelt van een relatief grof instrument naar een informatiebron met meer diepgang, bedoeld om betere keuzes te ondersteunen bij verduurzaming.

Nieuwe instrumenten
Naast regelgeving introduceert de EPBD ook nieuwe instrumenten om gebouweigenaren te ondersteunen.

- Er komt één herkenbaar loket waar gebouweigenaren, bewoners en gebruikers terechtkunnen voor informatie en bescherming bij verduurzaming: het Energiehuis. Dit initiatief bundelt bestaande lokale en landelijke initiatieven, zoals energieloketten van gemeenten. Het doel is overzicht te creëren in een versnipperd landschap. Waar informatie nu vaak verspreid is over verschillende instanties, moet het Energiehuis fungeren als centraal startpunt, zowel digitaal als fysiek. Daarmee wordt de drempel om stappen te zetten naar verduurzaming verlaagd.

- Renovatiepaspoort als routekaart. Een tweede nieuw instrument is het renovatiepaspoort. Dit document geeft gebouweigenaren een stapsgewijze route om hun pand richting (bijna) emissievrij te brengen. Dit paspoort wordt gekoppeld aan het bestaande maatwerkadvies van energieprestatieadviseurs. Het is dus geen losstaand document, maar een verdieping daarop. Zonder maatwerkadvies geen renovatiepaspoort. Het paspoort wordt bovendien geregistreerd in EP-online, waardoor het een formele rol krijgt binnen het bredere systeem van gebouwdata en energieprestatie.

- Financiële ondersteuning in ontwikkeling
Hoewel er al diverse subsidies en leningen bestaan, wordt gewerkt aan betere afstemming tussen regelingen. Het huidige aanbod is omvangrijk, maar niet altijd overzichtelijk.

Richting 2050 ligt de focus op stabiliteit en duidelijkheid. Tegelijk wordt gekeken naar aanvullende manieren om verduurzaming te stimuleren, naast directe financiële steun. Denk aan nieuwe prikkels of samenwerkingen die investeringen aantrekkelijker maken.

Eerste stap in bredere transitie
De tranche van 29 mei 2026 is nadrukkelijk een eerste stap. Verdere aanscherpingen volgen richting 2030 en daarna. Wat nu al zichtbaar is, is de koerswijziging: van statische eisen naar dynamische, data-gedreven en systeemgerichte regelgeving.

Voor de solarsector betekent dit dat zonne-energie steeds nadrukkelijker onderdeel wordt van een breder geheel, waarin gebouwen, installaties en het elektriciteitsnet met elkaar verbonden zijn.