RES-regio’s halen doelen wel maar zijn nog ambitieus

12.01.2026 Gijs de Koning

RES-regio’s halen doelen wel maar zijn nog ambitieus

De dertig RES-regio’s, bestaande uit gemeenten, waterschappen en provincies gaan volgens de laatste beraming van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de doelstelling van 35 terawattuur aan opgewekte duurzame energie uit zonneparken en windmolens op land in 2030 behalen. De doelstelling wordt behaald ondanks het feit dat elf regio’s expliciet hebben aangegeven hun bijdrage aan de doelstelling niet te zullen halen.

De doelstelling voor 35 terawatuur aan duurzame energie van zon en wind op land komt voor uit de Regionale Energiestrategiën (RES’en) uit 2019. De verwachte productie komt uit rond de 42 terawattuur, met een bandbreedte van 38 tot 46 terawattuur. Zelfs wanneer alleen wordt gekeken naar bestaande installaties en de projecten in de pijplijn, komt de productie rond het afgesproken doel uit. Het PBL geeft daarom aan dat de voortgangsrapportages van de RES-regio’s geen aanleiding geven om de inschatting wezenlijk te herzien.

Dat neemt niet weg dat de uitvoering in de regio’s steeds ingewikkelder wordt, daarom geven elf regio’s aan hun bijdrage niet te gaan kunnen leveren. “Ze worstelen met de realisatie van hun plannen”, zegt PBL-onderzoeker Meike Kool. “Onder meer door netcongestie, vertraging in de vergunningverlening, belemmerende regels en een gebrek aan geschikte locaties.”

Tegelijkertijd verlagen regio’s hun langetermijnambities niet. Integendeel: gezamenlijk houden zij vast aan een ambitie van ongeveer 55 terawattuur aan decentrale hernieuwbare elektriciteit in de jaren na 2030.

Afvlakking zonne-energie

Het PBL ziet wel dat de groei in het aantal zonne-energieinstallaties afvlakt. Netcongestie speelt hierbij voor zowel kleinschalige als grootschalige projecten een belangrijke rol. Voor kleinschalige projecten en zon op dak speelt ook het afschaffen van de salderingsregeling en de onzekerheid rondom thuisbatterijen. Voor grootschalige zonnestroomprojecten stelt het PBL dat de SDE++ regeling de belangrijkste factor voor het succes van de realisatie van de projecten is. Dit is ook terug te zien in de realisatiegraad van de zonne-energieprojecten binnen de SDE.

Toch zijn er kansen voor de zonne-energiesector in Nederland. Voor zon op dak is dit voornamelijk vanwege het Europese beleid om de energieprestaties van woningen en gebouwen te verbeteren. Voor grootschalige zonneprojecten verwijst het PBL naar het theoretisch ruimtelijk potentieel, dat nog onverminderd hoog is. Hiermee doelt het PBL op het feit dat Nederland technisch en ruimtelijk gezien genoeg oppervlak heeft om meerdere keren de huidige totale zon-PV-capaciteit te dragen.

Behaalde doelen belangrijk maar de toekomst blijft onzeker

Peter Derk Wekx, waarnemend directeur van het Nationaal Programma RES stelt dat: “Het is best bijzonder dat een overheidsdoel binnen de gestelde termijn daadwerkelijk wordt behaald.” Tegelijkertijd waarschuwt hij dat hiermee de opgave niet is afgerond. “We weten dat nog veel meer stroom nodig is als we op dezelfde manier willen blijven wonen, werken en ons verplaatsen. Daarom is die ambitie van 55 terawattuur ook zo belangrijk. Die wordt zeker niet in 2030 behaald, maar daar moeten we in de jaren erna naartoe werken.”

Die langetermijnambitie staat of valt volgens Wekx met stabiliteit vanuit Den Haag. De RES-regio’s hebben voor de doorontwikkeling van hun energiesystemen continuïteit in beleid en financiering nodig. “Alle wisselingen in de kabinetten van de afgelopen jaren hebben nou niet echt geholpen.”

De grootste beperkende factor blijft ondertussen het elektriciteitsnet. Netcongestie raakt niet alleen nieuwe zonne- en windparken, maar ook woningbouw, bedrijfsuitbreiding en elektrificatie. Regio’s verschuiven hun focus daarom van puur opwek naar systeemintegratie, waarin opslag, flexibiliteit en lokaal gebruik een steeds grotere rol spelen. Wekx pleit er in dat verband voor om lokale opwek en lokaal gebruik van stroom actief te stimuleren. “Als je lokaal stroom opwekt én gebruikt, hoeft het niet over lange afstanden getransporteerd te worden.” Volgens hem zijn prijsprikkels daarbij onmisbaar. “Hetzelfde geldt voor het delen van stroom met je buren, maak dat aantrekkelijker.”

Het PBL stelt dan ook dat de rol van de RES’en verschuift van een focus op ‘hoe past dit project, naar een energiesysteemopgave waarbij breder wordt gekeken naar de regio en welke oplossingen het beste bij de situatie passen. Hierbij trekt het PBL belangrijke lessen. Namelijk: dat het energiesysteem uit een maatschappelijke opdracht moeten worden gebouwd waarin ook sociale aspecten in de afspraken zijn geborgen en een ruimtelijk verhaal is meegenomen. Daarnaast concludeert het PBL dat een getalsmatige doelstelling heeft gewerkt maar dat de energietransitie nu een breder kader nodig heeft.